SULAMITH SCHIFF

Suske, Wiske en tante Sidonia bezoeken op een dag het speelgoedmuseum in Mechelen. Zij zijn er onder de indruk van de verscheidenheid aan speelgoed door de eeuwen heen. Als zij buitenkomen rijdt er net een vrachtwagen weg. Uit de laadruimte valt er een kistje op de weg. Wiske raapt het op en ziet er op de buitenkant het volgende opstaan: Schiff Sulamith V/239 25.8.42.

Als ze naar huis rijden vraagt tante aan Wiske wat ze op straat gevonden heeft. Wiske antwoordt dat het een kistje is met een naam en wat nummers op. Tante zegt dat ze het naar een politiebureau moeten brengen. Als gevonden voorwerp moet het terug naar de rechtmatige eigenaar.

Thuis gekomen vergeet tante het voorval en begint het avondeten te maken. Op haar kamer opent Wiske het doosje. Er zit een ietwat armoedig popje in. Ze is er meteen door vertederd en moet aan haar eigen Schanulleke denken. Ze laat het aan Suske zien. Als deze het vastneemt merkt hij dat er een papiertje onder het kleedje zit. Er staat de volgende boodschap op: Aan wie mij vindt, breng mij terug. Heidestatiesteenweg 119. Laly.

Suske en Wiske kijken elkaar vragend aan. 'Wie zou die Laly wel zijn?' Suske besluit om één en ander na te pluizen op het internet. Na korte tijd zit hij met de handen in het haar. Hij kan geen enkel spoor vinden. Dan valt Wiskes oog op het kistje en het nummer dat erop gedrukt staat. Suske begint weer te zoeken, ditmaal naar de naam Sulamith Schiff. Nu heeft hij meer succes. Hij ontdekt dat het meisje geleefd heeft in Heide Kalmthout. Ze is in 1928 geboren. Hij vraagt Wiske waarom ze het wil weten.

'Heel simpel', zegt ze, 'ik ga dat popje persoonlijk aan de rechtmatige eigenares teruggeven.' 'Onmogelijk' zegt Suske. 'Als je haar het popje teruggeeft op het ogenblik dat het nog niet is verloren, dan zit ze daar ineens met twee popjes en geraakt ze helemaal in de war!' 'Dan geven we haar het popje als ze al wat ouder is', zegt Wiske. Suske kijkt nog eens naar het scherm en wordt dan lijkbleek. 'Sulamith is overleden toen ze veertien was', stamelt hij. Wiske is geschokt. 'Dan moet Sulameth erg ziek geweest zijn' Even pinkt ze een traan weg, dan zegt ze gedecideerd 'Dan is het een reden temeer om haar op haar ziektebed haar verloren popje terug te brengen. Dat kan haar troosten.'

'Onmogelijk', zegt Suske. 'Wat nu weer?!' zegt Wiske. 'Sulamith is overleden in 1942 en dat is in het midden van de tweede wereldoorlog.' Wiske sluit haar ogen en zegt gedecideerd: 'We gaan!' Suske is verbouwereerd. Is Wiske van plan even naar 1942 over te wippen, Sulamith haar popje terug te geven, haar troostende woorden toe te spreken en weer terug naar het heden te gaan? 'Natuurlijk niet', zegt Wiske. 'We gaan naar 1937 en geven haar popje terug. Misschien komen we dan al iets over haar ziekte te weten en kunnen we haar nadien de nodige medicijnen brengen'. Suske denkt na. Hij vindt het een riscante onderneming. Bovendien heeft professor Barabas ooit gezegd dat je niet in de loop van de geschiedenis mag ingrijpen. Wiske vindt dat flauwekul en wil toch gaan. Suske kan haar niet van haar plan afbrengen. Aan tafel zwijgen ze over het onderwerp.

Tante Sidonia maant Wiske nog eens aan om het doosje naar de politie te brengen. Wiske zegt daarop dat ze nog een beter idee heeft. Namelijk het naar de rechtmatige eigenaar terugbrengen. Suske moet een stuk van zijn tong bijten. Die nacht hoort Suske een gerommel op de zolder. Hij gaat naar boven en ziet Wiske kleding van de jaren veertig passen. 'Ik heb nog een potje met oude Belgische franken gevonden' zegt ze. 'Kan nog van pas komen.' Zij maant Suske zich ook om te kleden. Deze protesteert heftig. Dan smijt Wiske zijn jaren veertig kleding in een koffertje samen met het kistje. Zij gaat naar het huis van professor Barabas met een tegenpruttelende Suske achter zich aan. Niettegenstaande Suskes tegenargumenten dringt ze er binnen. Als ze voor de teletijdmachine staan beginnen ze pas echt te bakkeleien. Suske wil Wiske uit alle macht het dwaze plan uit haar hoofd praten.

Door hun geroep is professor Barabas wakker geworden. Wiske heeft intussen plaats en tijd al ingetikt als de professor komt binnengestormd. 'HALT!' schreeuwt hij.

Wiske springt in de cabine van de teletijdmachine, Suske trekt aan haar jurk, waardoor ze het evenwicht verliest en haar koffertje openklapt. Het kistje met het popje in komt met een zwaaibeweging op het toetsenbord terechtkomt. Er klinkt een luide FLITS en een knal.

De twee kinderen worden weggeflitst, maar op het toetsenbord is er een kortsluiting ontstaan. Professor Barabas kan tot zijn verbijstering enkel vaststellen dat de kinderen naar het verleden zijn geflitst, maar hij weet niet waarheen en naar welke tijd.

Suske en Wiske komen in het stadspark van Antwerpen terecht in het jaar 1937. Suske maakt zich boos op Wiske en stelt tot overmaat van ramp vast dat ze helemaal niet naar Kalmthout zijn geflitst. Waarschijnlijk doordat het koffertje op het toetsenbord is gevallen. Ze hebben zelfs het popje van Sulamith niet bij. 'Niet erg', zegt Wiske, 'we kopen dan wel een nieuw popje voor haar. Doe jij nu maar die kleren aan uit de jaren dertig van vorige eeuw, dan val je niet op.' Er zit voor de kinderen niets anders op dan met de trein vanuit Antwerpen Centraal naar station Heide Kalmthout te vertrekken.

Even later zitten Suske en Wiske op de trein richting Kalmthout. In hun coupé is het een drukte van jewelste. Ze zien vrouwen met grote manden voedsel en mannen die met elkaar discussiëren. Daartussen dartelen kinderen. De mensen spreken in een vreemde taal. Suske en Wiske begrijpen hen niet. Een jonge kerel die hun vragende gezichten ziet stelt zich voor. Hij is Johan Gluck, een journalist. Hij vertelt dat de meeste mensen op de trein Joden zijn en Jiddish spreken. Veel Joodse gezinnen gaan voor het weekend naar Heide omdat ze er logeren of er een buitenverblijf hebben. Op de trein drijven de mannen nog wat handel of lezen in de siddoer (Joods gebedenboek). Wiske vraagt aan de journalist of hij Soulamith Schiff kent. Hij schudt het hoofd. Plots horen ze een lief en levendig stemmetje, 'Hallo, ik ben Sulamith, Laly voor de vrienden. Zoeken jullie mij?' Wiske is totaal van slag maar ook aangenaam verrast. Voor haar staat een opgewekt meisje met frisse, donkere kijkers. Sulamith ziet er helemaal niet ziek uit. De kinderen maken met elkaar kennis. De stations van St. Mariaburg, Kapellenbosch en Kappelen schuiven voorbij. Ze komen in Heide aan. Johan Gluck neemt afscheid van de kinderen. Sulameth vertelt dat haar vader een pensionnetje runt voor Joodse mensen en dat zij koosjer voedsel serveren. 'Vanavond begint de sjabat,' zegt ze. 'De sjabat is een Joods gebruik. Hij dient tot rust voor het lichaam en is een feest voor de geest en voor het leven. Tijdens de sjabat die van de zonsondergang op vrijdag tot en met de zonsondergang op zaterdag duurt, mogen de Joden geen arbeid verrichten.' Sulamith nodigt Suske en Wiske uit om een hapje mee te eten. 'Mijn ouders vinden het vast niet erg.' zegt ze. 'Er komen dagelijks gasten over de vloer.' Suske en Wiske nemen de uitnodiging graag aan.

Als ze door de ruw aangelegde straten lopen met veel open ruimten en sporadisch een huis of huizengroep, Kalmthout Heide is op dat moment nog niet volgebouwd, vraagt Sulamith plots waarom ze haar zochten. Suske en Wiske weten niet wat zeggen. Kunnen ze aan Sulameth vertellen dat ze uit de toekomst komen en haar popje komen terugbrengen? Of dat ze niet lang zal leven?

Opeens krijgt Wiske iets tegen het achterhoofd. Vanachter een boom horen ze giechelen. Suske glipt achter de boom en heeft even later een guitige jongen met een katapult bij de kraag. 'Hou op, hou op' zegt hij lachend. 'Je kent toch het gezegde Plagen is om liefde vragen?' zegt hij terwijl hij deugnietachtig in Wiskes ogen kijkt. 'Ik sla jou al een tijdje gade en ik vind jou heel schattig.' Wiske kleurt rood tot achter haar oren.

'O, ik vergat me voor te stellen'. Tobias Schiff is de naam. 'De jongen steekt zijn hand uit.' Wiske gilt het uit als ze hem de hand drukt. Er springt een kleine kikker uit Tobias' hand. De kinderen lachen met Wiskes reactie.

'Ben jij familie van Sulamith?' vraagt Suske. 'Nee hoor, zegt Sulamith, Schiff is een Joodse naam die veel voorkomt, zoals bij jullie Janssens of Peeters.'

'Tobias volgt hier school in Heide', zegt Sulamith. 'De Jeshiva van Heide. Dat is een Joodse school waar enkel jongens naartoe gaan. Ikzelf ga in Antwerpen naar school.'

'Zo is dat. Ik verblijf hier op pensionaat' antwoordt Tobias fier. 'De Jeshiva van Heide wordt geleid door rabbijn Sjragai Shapiro. Dat is een hele toffe vent!'

Tobias springt plots voor Wiske en rukt het strikje van haar hoofd. Hij zet het op een lopen. Wiske is kwaad en gaat hem achterna! 'Nu gaat hij te ver!' sist ze. Maar achter de hoek botst Tobias tegen iemand aan. Voor hem staat rabbijn Shapiro. 'Altijd maar weer kattekwaad uithalen, hé Tobias' zegt de rabbijn lachend. 'Stel me even voor aan je nieuwe vrienden.' Wiske neemt vlug haar strikje terug en doet het in haar haar. Na de kennismaking gaat Shapiro hen voor naar de synagoge van Heide Kalmthout. Dat is een Joods gebedshuis. Het is de enige synagoge die in België buiten de stad werd gebouwd. Suske en Wiske zijn nieuwsgierig en willen mee. Als ze binnenkomen zijn er al mensen en kinderen aanwezig. Shapiro, die een kippa of Joods hoofddeksel op heeft doet ook de tallit (witte gebedsmantel met aan de hoeken vier kwastjes) en de Tefillin aan (gebedsriemen op het voorhoofd en de linkerarm). 'De sjabat is begonnen', fluistert Sulamith in Suskes oor. 'Daarom zijn die mensen hier bij elkaar. Rabbijn Shapiro gaat met de Thorarollen naar de Bima (lessenaar) en gaat er uit voorlezen.' De kinderen lopen intussen rond maar houden zich rustig. 'De vrouwen maken zichzelf mooi en versieren het huis. Zij hebben het eten al klaargemaakt voor de sjabatrust begint.' fluistert Sulamith. Plots beginnen alle aanwezigen te zingen. Suske en Wiske vinden het heel mooi maar begrijpen er niets van. 'Het zijn Hebreeuwse psalmteksten.' zegt Sulamith.

Na de viering gaan de kinderen naar het huis van Sulamith's ouders. Ze worden er hartelijk ontvangen en ze worden vriendelijk verzocht een handje te helpen. De Joden mogen tijdens de sjabat niet werken en nu vragen ze aan Suske en Wiske om het kookvuur en de kachel aan te steken. Tobias vleit zich plagerig neer in een zetel en zegt als Wiske voorbijkomt: 'Voor mij een sigaar alstublieft.' Suske kan het intussen uitstekend vinden met Sulamith, die hem uitlegt wat de sjabat eigenlijk inhoudt. De sjabat is de zevende dag van de week die door God als rustdag werd aangeduid. Op die dag laat iedereen de zorgen achter zich en geniet van het gezin...

Wiske is intussen in de keuken op aanwijzingen van Sulamiths moeder bezig met het opwarmen van het eten. 'Wat bedoelen jullie met koosjer eten?' vraagt ze belangstellend. 'Koosjer betekent rein. Het vlees moet zuiver zijn. Het moet van gezonde dieren komen, die niet mogen lijden bij het slachten. Varkensvlees is uit den boze en vissen moeten schubben hebben. Kreeften en mosselen horen daar dus niet bij. Het zijn gewoonten die stammen uit de tijd toen wij nomaden waren.'

Na de maaltijd gaan de kinderen nog wat wandelen. Tobias moet terug naar het pensionaat en neemt afscheid. Opnieuw vraagt Sulamith waarom Suske en Wiske haar komen opzoeken. En weer moeten onze vrienden het antwoord schuldig blijven. Dan stopt Sulamith opeens. Ze staat voor een boom waarop een affiche is gekleefd.

Suske en Wiske zien dat er wat scheelt. Zij kijken naar de affiche en krijgen koude rillingen.

"Weg met de Joden en vreemdelingen." Suske is verbolgen! 'Welke engerds hebben dat hier gehangen?' Sulamith is onder de indruk en laat het hoofd zakken. Wiske legt een vriendschappelijke arm om haar schouders. In de verte komt een bekende gestalte op het hen toegestapt.

'Johan Gluck!' roepen Suske en Wiske blij in koor. Hij begroet hartelijk de kinderen. Dan ziet hij het trieste gelaat van Sulamith en kijkt naar de affiche. Er komt een rimpel in zijn voorhoofd. 'Dat zijn waarschijnlijk die kerels van de Volksverwering. Een akelig stelletje. Zij nemen blindelings de antisemitische ideeën over die in Duitsland wortel hebben geschoten. Ik heb vernomen', zegt hij, 'dat er vanavond een groep heethoofden hiernaartoe komt om meer intimidaties uit te voeren en om tot hadtastelijkheden over te gaan. Samen met enkele dorpsbewoners ga ik hen proberen op andere ideeën te brengen.' Suske en Wiske geven elkaar een knipoog van verstandhouding die zoveel betekent als: 'Wij doen mee!'

Intussen heeft professor Barabas op het thuisfront Lambik en tante Sidonia ingelicht over het feit dat Suske en Wiske naar een onbepaalde tijd in het verleden zijn geflitst. Jerom is in het buitenland, meer bepaald in Haïti, om het geweld van orkaan Jeanne in te dijken. Als ze in het lab van Barabas aankomen herkent Sidonia onmiddellijk de doos die van de vrachtwagen in Mechelen gevallen is. Ze foetert op Wiske omdat ze zo koppig was om ze niet naar de politie te brengen. Sidonia zal de doos zelf naar het bureau brengen. Misschien brengen ze haar daar op een spoor. Lambik blijft in het lab om de prof te helpen, maar hij plugt per abuis de stekker van het koffiezetapparaat in het regelpaneel van de teletijdmachine.

Die avond liggen Johan Gluck en enkele medestanders, zowel Kalmthoutenaren als Joden in de gracht te wachten van de Leopoldstraat. Iets voorbij middernacht komt er een groep onruststokers van achter de hoek. Maar plots doemt er een donkere en dreigende gestalte op, behangen met keukenmessen die vervaarlijk glinsteren in het maanlicht. De onrustsokers krijgen schrik en zetten het op een lopen. Dan komt Gluck met zijn medestanders juichend uit de gracht en loopt op de mysterieuze gestalte toe. Het is Suske, met Wiske op zijn schouders, die een donkere mantel om zich heen hebben geslagen, waarop ze de keukenmessen genaaid hebben. Sulamith lacht uitbundig. Zij drukt Suske tegen zich aan en geeft hem een dikke kus. Maar dan gebeurt er iets vreemds. Met een flits verdwijnen Suske en Wiske en laten de verbaasde omstaanders achter.

Tante Sidonia is immers teruggekomen van het politiebureau, waar ze haar gezegd hebben dat het doosje met het popje een onderdeel is van een tentoonstelling over het speelgoed van Joodse kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het popje is van een meisje dat toen in Kalmthout woonde. Meteen wist Barabas naar welk tijdvak hij moest zoeken. Hij vond Suske en Wiske, net op het moment dat ze vanonder de mantel vandaan kwamen en flitste hen meteen terug naar het heden. Maar het koffiezetapparaat dat door Lambik op het regelpaneel werd aangesloten zorgde voor een ontploffing, waardoor een nieuwe kortsluiting ontstond. Suske en Wiske zijn vijf jaar verder in de tijd geflitst. Professor Barabas geeft Lambik een fikse bolwassing. Door zijn stommiteit zijn Suske en Wiske in het midden van het oorlogsgeweld gekatapulteerd. Tante Sidonia krijgt een crisis.

Suske en Wiske zitten verbaasd voor zich uit te staren. De mensen die daarnet nog rond hen heen stonden zijn weg. Plots horen ze het geluid van een vrachtwagen achter hen. Ze kunnen nog net de gracht induiken. De vrachtwagen stopt voor een huis. Duitse soldaten stappen uit en slaan op de deur. Een familie komt buiten. Vader, moeder en vier kinderen. De vader verzet zich. Een Duitser rukt het jongste kind uit de handen van de moeder en slaat het met het hoofdje tegen de vrachtwagen. (Waar gebeurd. Het verhaal van de familie Orgel). Het verzet van de vader is gebroken. De familie stapt op de vrachtwagen. Er zitten nog andere mensen op. Suske is razend. Hij wil naar de vrachtwagen lopen. Wiske houdt hem tegen. Ze lopen instinctief naar het huis van Sulamith. Onderweg zien zij een vrouw en twee kinderen. Zij worden opgepakt door de Gestapo. (Mevrouw Vingerhoets, een niet-Joodse vrouw, die twee Joodse kinderen onderdak bood. Waar gebeurd). De kinderen huilen. De vrouw tracht hen te sussen. 'Wat gebeurt hier toch allemaal?' sist Suske. 'Dit is je reinste waanzin!' brengt Wiske uit. Ze komen aan het huis van Sulamith. Duitse sodaten doorzoeken het huis. Ze zijn kwaad. Er is niemand. 'Sulamith leeft nog', zegt Suske. 'Er is nog hoop! Ze gaat naar school in Antwerpen. Misschien vinden we haar daar.' 'Ga daar niet heen, kinderen.' zegt een stem gedecideerd achter hen. Het is Johan Gluck. 'Waar waren jullie gebleven? Jullie zijn vijf jaar weggeweest!' Suske en Wiske zijn verbouwereerd. Dan beseffen ze dat professor Barabas hen waarschijnlijk heeft proberen terug te flitsen, maar daar om één of andere reden niet in geslaagd is. 'Wat is hier aan de hand, Johan?' vraagt Wiske. Johan Gluck vertelt: 'Sinds jullie verdwijning is het van kwaad naar erger gegaan met de jodenvervolging. Begin mei 1940 heeft Duitsland België bezet. Generaal Von Falkenhausen regeert nu over het land. De Joden verloren stelselmatig al hun rechten. Eerst werden hun ondernemingen gesloten, vervolgens werd hen verboden te werken, daarna werden hun bezittingen geregistreerd en tenslotte moesten ze zichzelf laten registreren. Sinds mei van dit jaar zijn ze verplicht om een gele jodenster te dragen.' 'Maar, dat is verschrikkelijk' brengt Suske geschokt uit. 'Het ergste komt nog, Suske,' zegt Johan met een diepe frons op zijn voorhoofd.

'Toen hebben de bezetters 10.000 bevelschriften rondgestuurd om de joden te verpichten in Duitsland te gaan werken. 4.000 goedgelovige, werkloze joden hebben zich naar de Dossinkazerne in Mechelen begeven. De Duitsers waren niet tevreden met de lage opkomst. Zij pleegden vier razzia's. Bij deze razzia's werd geweld gebruikt: deuren werden ingetrapt en mensen uit hun bed getrokken. Zo zijn ook Sulamith en haar ouders opgepakt. Elke razzia brengt 1.000 joden naar de kazerne.'

Plots schrikt Johan op. Eén van de Duitsers heeft hem opgemerkt. 'Blijf staan! Handen in de lucht!' maar Johan geeft vlug een pakje papieren aan Suske en zet het op een lopen. De Duitser schiet. Johan valt neer. 'Vlucht weg! Redt Sulamith! Voor mij is het te laat' Hij laat het hoofd zakken. Bloed sijpelt onder zijn lichaam. De Duitsers komen naderbij. Suske en Wiske, tot tranen toe bewogen, vluchten in de gracht. Ze komen bij het station van Heide Kalmthout. Wiske herinnert zich dat Sulameth ziek was. Suske zegt dat ze dat niet zeker weten. Een onaangenaam voorgevoel maakt zich van hen meester. 'We moeten naar Mechelen, naar de Dossinkazerne.' We moeten Sulamith redden!' Ze hebben net genoeg oude Belgische franken om twee treintickets naar Mechelen te betalen. Ze begeven zich naar de Dossinkazerne. Ze weten een leegstaand aanpalend huis binnen te dringen en hebben vanuit het dakraam zicht op de binnenplaats van de kazerne. Ze zien verschillende groepen joden vertwijfeld en angstig bij elkaar staan. Zij worden door bewapende soldaten ruw in groep naar leegstaande treinwagons geleid, die normaal voor het vervoer van dieren worden gebruikt. Plots ziet Suske Sulamith! Zij stapt op de trein. Suske is door het dolle heen en wil haar roepen! Wiske kan nog net haar hand voor zijn mond houden. Maar Suske is niet te houden. Hij stormt naar beneden. Hij vindt onder de trap een lege fles. Iets verder staat er een halfvolle jerrycan met benzine. Met een stuk vod fabriceert hij vlug een molotovcocktail. Hij maant wiske aan zich schuil te houden. Hij zal proberen Sulamith uit de rijdende trein te halen. De trein zet zich schokkend in beweging. Suske handelt nu heel snel. Hij werpt de molotovcocktail naar een heel andere kant toe. De fles ontploft en er ontstaat brand. Duitse soldaten rennen erheen. Suske maakt van de verwarring gebruik om naar de intussen op gang gekomen trein te hollen. Hij klampt zich vast aan een reling van de wagon waarin Sulameth zit. Hij krijgt de deur niet open. Er gaapt een gat tussen twee planken. Hij roept haar naam. Keer op keer. Luider en luider. Sulameth komt aan de kier. Ze is vijf jaar ouder sinds Suske haar voor het laatst zag. Ze is mooi. Haar ogen zijn rood van de tranen. 'Heb je mijn ouders gezien?' vraagt ze. Suske grijpt haar hand. Hij is sprakeloos 'Je, je moet hier uit!' stamelt hij. Sulameth komt met haar gezicht dichterbij en geeft hem een kus op zijn wang. 'Maak je geen zorgen om mij. Ik red me wel' De trein nadert een smalle tunnel. Suske moet eraf springen of hij wordt verpletterd. Hij ziet nog net het gelaat van Sulamith. Zij lacht lief naar hem. Suske tuimelt van de berm en raakt met zijn hoofd een boom. Terwijl hij het bewustzijn verliest ziet hij een gestalte op zich toe komen. Het is Wiske.

Barabas heeft met ontzetting de laatste gebeurtenissen gevolgd. 'Ze moeten daar nu echt weg!' sist hij met grote zweetdruppels op zijn voorhoofd. Ook Lambik heeft het er warm van gekregen en doet zijn strik uit. Tante Sidonia zit in een hoek van het lab groggy in een fauteuil met haar twee voeten in een mosterdbad. Barabas gaat weer een poging wagen om de kinderen naar het heden te halen. Vertwijfeld haalt hij de hendel over en KNAL! ?!!! 'Weer een kortsluiting! Ditmaal zit de strik van Lambik verward in het bedieningspaneel! Het overflitsen is dus weer mislukt' Barabas zit Lambik met een engelse sleutel achterna.

Suske en Wiske maken een sprong in de tijd van drie jaar. Suske ligt met zijn hoofd in de schoot van Wiske. Zij beseft dat ze weer zijn overgeflitst via de teletijdmachine maar dat het weer eens mislukt is. 'Het lijkt wel of Lambik de teletijdmachine bestuurt.'Suske komt weer bij 'Sulamith' is het eerste wat hij stamelt. 'Ik weet ook niet waar ze naartoe gebracht is,' Suske. 'We hebben weer een sprong in de tijd gemaakt.'

Suske kruipt rechtop en tast naar zijn pijnlijk zitvlak. Ineens voelt hij het pakje papieren dat Johan Gluck hem heeft toegestopt. Hij leest het en zijn haren reizen ten berge. 'Op de Wannsee-conferentie in januari 1942 beslist Hitler tot de Endlösung, de uiteindelijke oplossing voor het jodenprobleem. In Polen worden zes vernietigingskampen opgericht: Maidanek, Treblinka, Sobibor, Chelmno, Belzec en Auschwitz-Birkenau. Vrouwen, kinderen en mannen, die niet voor de arbeid geselecteerd worden, worden direct na de aankomst naar de gaskamers gebracht. Hun lijken worden onmiddellijk verbrand. De mannen die gekozen zijn om te werken , krijgen een nummer op hun arm getatoueerd. Vanaf dat moment wordt hun levensverwaching op drie maanden geschat.' 

Suske en Wiske zitten beduusd voor zich uit te staren. 'Kan het zijn. Is het waar dat Sulamith?'

'Het is waar' achter hen horen ze een bekend, maar gebroken stemmetje. Ze draaien zich om en staan oog in oog met Tobias Schiff. Hij is zo mager en ziet er zo ziekelijk uit dat hij nauwelijks te herkennen is. Wiske loopt naar hem toe en geeft hem met betraand gezicht een dikke knuffel. 'Sulamith is vergasd in Auschwitz. Ik heb het Soverleefd' zegt hij stil. Maar hij ziet er niet erg blij uit. 'Maar mijn papa niet. Ik heb hem nog gesproken, kort voordat hij gestorven is. Hij zei me dat ik de wereld moest vertellen wat er daar gebeurd is'. Suske zet zijn beide handen op Tobias schouders en kijkt hem diep in de ogen. 'Ik ben er zeker van dat jij dat zult doen!'

Voor Tobias wordt het te machtig. Hij valt in de armen van Suske en Wiske en begint onbedaarlijk te wenen.

Zij lopen gearmd door Heide. Een vrouw komt op hen toe. Het is mevrouw Vingerhoets, die twee Joodse kinderen had verborgen en daarvoor werd opgepakt. 'Kom naar mijn huis. Jullie moeten aansterken. Ik heb gekookt.' 'Is. Is het koosjer?' vraagt Tobias bedeesd. Suske en Wiske kunnen een glimlach niet onderdrukken.

Mevrouw Vingerhoets, die zelf twee maanden in de Begijnenstraat heeft opgesloten gezeten, zegt dat er ook vele joden en joodse kinderen zijn kunnen onderduiken, waardoor zij de Holocaust overleefd hebben. Suske en Wiske zijn diep onder de indruk van het gebeurde en gaan na het eten samen met Tobias en mevrouw Vingerhoets naar het huis van Sulameth om er een bloementuil neer te leggen.

Op het thuisfront heeft Barabas alles hersteld. Hij heeft uit respect Suske en Wiske het laatste huldebetoon aan Sulameth Schiff laten plegen en laat hen afscheid nemen van Tobias en mevrouw Vingerhoets. Daarna flitst hij hen weer terug naar het heden.

Lambik en tante Sidonia hebben het einde van het avontuur in Heide gevolgd en pinken een traan weg. Ook Jerom komt net binnenwandelen. Hij zegt dat hij orkaan Jeanne in een knoop heeft gelegd. In korte bewoordingen verneemt hij van Barabas wat er met de kinderen gebeurd is.

Suske en Wiske zitten een beetje dof voor zich uit te staren. Lambik wil een opmerking maken maar een boze blik van Sidonia snoert hem de mond. Ook Barabas is aangedaan. 'Ik had jullie dit echt willen besparen, kinderen... Ik kwam te laat. Het spijt me...' 'Waarom?' zegt Suske, 'het is toch gebeurd?... Het is toch de waarheid?... Of niet?' 'Dat wel, Suske, zegt tante Sidonia, maar voor kinderen als jullie is dit te...' Wiske maakt een afwerend gebaar en staat recht. Ze kijkt tante Sidonia, Lambik, Jerom en professor Barabas recht in de ogen. 'Je mag geen dingen voor ons verzwijgen. Wij willen weten wat er gebeurd is. Hoe wil je dat wij leren uit de fouten van het verleden als wij de geschiedenis niet kennen? Wij willen dezelfde fouten niet opnieuw maken.' Suske gaat naast Wiske staan en slaat zijn arm om haar schouder... 'Wiske heeft gelijk. Wij kinderen zijn de toekomst. Op onze schouders rust de maatschappij van later. Wij willen die bouwen op basis van verdraagzaamheid en respect voor iedereen. Niemand is minderwaardig.'

Tante Sidonia krijgt de tranen in haar ogen en grijpt de twee kinderen stevig vast. 'Ik... ik ben zo trots op jullie. Kom hier, ik geef jullie een kus.' 

'Geef er dan ook een voor Sulamith', tante, 'in naam van allen die hun leven hebben verloren voor onze vrijheid...'

Einde
Bron: Marc Verhaegen